Model
Portretfotografie met tegenlicht kan een flinke uitdaging zijn. Zonder extra hulpmiddelen loop je al snel tegen het probleem aan van een correct belicht model bij overbelichte achtergrond of een onderbelicht model bij een correct belichte achtergrond. Is jouw doel een goed belicht model en correct belichte achtergrond? Dan zul je al snel met een reflectiescherm of reportageflitser gaan werken. Op deze manier verklein je het contrast tussen de voor- en achtergrond. In de nabewerking is het ook mogelijk wat aanpassingen in de belichting te doen.
Voor een model is fotograferen bij tegenlicht vaak een stuk prettiger, omdat er niet direct in de lichtbron gekeken wordt. Dit zorgt ervoor dat een model niet met zijn of haar ogen hoeven te knijpen. Het tegenlicht geeft daarnaast een mooie gloed rond de contouren van het model en brengt hiermee meer diepte in je foto. Zo ontstaat er vaak een mooie gloed langs het haar (die noemen we ook wel haarlicht) en heeft de belichting op het model vaak een zachter effect.
Wil je toch liever zonder extra hulpmiddelen tegenlicht in beeld vangen? Dan kun je het tegenlicht gebruiken om silhouetten vast te leggen. Op deze manier breng je de contouren van een model (maar ook andere onderwerpen zoals landschappen) duidelijk in beeld aan de hand van het verhoogde contrast dat het tegenlicht oplevert. Dit levert krachtige beelden op waarbij het onderwerp duidelijk afsteekt tegen de achtergrond.
Geef een warme sfeer aan een silhouet, door bij zonsopgang of -ondergang te fotograferen. Fotografeer tijdens het blauwe uurtje wanneer je rust in je foto wilt brengen. Experimenteer ook eens met mist. Dit kan een mysterieuze sfeer aan je beelden geven. Bij het vastleggen van een silhouet zal je camera automatisch onderbelichten aangezien de achtergrond fel is. Dit zorgt ervoor dat je minder aanpassingen hoeft te doen aan de instellingen van je camera.
Tip – Ga je een silhouet vastleggen? Probeer dan gebruik te maken van een rustige achtergrond zodat de aandacht naar je onderwerp wordt getrokken en werk met een lage ISO-waarde om ruis in je beeld te voorkomen.
Belichting
Bij tegenlicht komt het vaak voor dat de felle achtergrond de lichtmeter van je camera om de tuin leidt. De camera voert dan een meting uit waarbij het lijkt alsof het onderwerp net zo fel is als de achtergrond wat ervoor zorgt dat dat de sluitertijd wordt verkort en de sensor minder licht krijgt. Het resultaat is een silhouet tegen een correct belichte achtergrond. Wil je zowel de voor- als achtergrond duidelijk in beeld brengen met de juiste belichting? Dan zul je met belichtingscompensatie moeten gaan werken.
De belichtingscompensatie instellen is bij iedere camera anders. Je past zelf de ISO-waarde, sluitertijd en/of het diafragma aan. Hiervoor kun je het beste even de handleiding van je camera erbij pakken. Meestal vind je dit terug in de diafragma- en sluitertijd instellingen of de zogenaamde P-modus. Hiervoor hoef je vaak niet in de M (handmatige) stand te fotograferen.
Lichtmeter
Bij het maken van foto’s met tegenlicht is het belangrijk om te letten op je lichtmeter. Op de lichtmeter geeft je camera aan de hand van een schaal van -2 naar +2 aan hoeveel licht er in je beeld aanwezig is met de huidige instellingen. De waarde 0 geeft een juiste belichting aan. De min geeft onderbelichting (donkerder beeld) aan en de plus laat zien dat het beeld overbelicht (lichter beeld) is. Vaak is de camera in staat om de juiste instellingen te herkennen, maar in het geval van tegenlicht vallen deze vaak tegen. Draag je bijvoorbeeld en wit shirt op de foto, dan kan deze volgens de lichtmeter juist belicht zijn en toch donkerder ogen. Stel je de lichtmeter dan in met één of twee extra stops (stappen), zodat je een wit shirt als resultaat krijgt. Let hierbij op het volgende: hoe lichter je het beeld maakt, hoe langer de sluitertijd en des te groter de kans op bewegingsonscherpte. In een nabewerkingsprogramma kun je vaak belichtingsinstellingen van je foto nog iets aanpassen.
Lichtmeting
Je kunt je camera op verschillende manieren het licht laten meten dat op de sensor valt. Iedere instelling levert een ander belichtingsresultaat op. De meest gebruikte optie bij tegenlicht is de spotmeting. Hierbij let je camera alleen op het middelste gedeelte van het beeld bij het uitvoeren van de meting. Je kunt met een spotmeting dus een nauwkeurige selectie uitvoeren. De spotmeting komt het dichtst bij het meten van licht met een externe lichtmeter. De matrixmeting, ook wel meervlaksmeting genoemd, meet ook buiten het midden van je afbeelding de sterkte van het licht. Deze instelling warbij de camera een gemiddelde belichting kiest, wordt veel gebruikt wanneer de focus op het beeld als geheel ligt. Denk bijvoorbeeld aan het fotograferen van een landschap. Tot slot kun je gebruik maken van de centrummeting. Dit is een combinatie van de spot- en matrixmeting. De camera meet het midden van de afbeelding en een klein gebeid hier omheen.